Ausonii Cento Nuptialis: Inleiding |
|
|
DE AUTEUR
Decimus Ausonius Magnus (ca.310- ca.393 na C.) was de zoon van
een geneesheer te Burdigala (Bordeaux) en studeerde daar en te Tolosa (Toulouse). Nadat hij
dertig jaar lang te Bordeaux les had gegeven in de grammatica en de rhetorica, kreeg hij van
keizer Valentinianus I de opdracht aan het hof te Trier zijn zoon Gratianus te komen
onderwijzen. Toen deze keizer werd, betekende dat voor Ausonius snelle promotie: hij werd
prefect van Gallië en in 379 zelfs consul. Na de moord op Gratianus in 383 trok hij zich voor
de rest van zijn leven terug in zijn geboortestad.
In naam was hij christen, maar noch uit zijn leven, noch uit
zijn werk blijkt enig diep religieus gevoel. Zo raadde hij bijvoorbeeld zijn leerling
Paulinus, de latere heilige Paulinus van Nola, af zijn religieuze roeping te volgen. Hij
leefde en dacht nog geheel in de traditie van het "heidense" Romeinse verleden.
Toch komt hij als mens eerder sympathiek over: hij bezat een
grote zin voor de schoonheid van de natuur en koesterde eveneens een oprechte liefde voor zijn
vaderland.
Bovendien is hij belangrijk als bron van kennis over Gallië, dat
in zijn tijd als cultuurland in volle opkomst is.
|
ZIJN WERK
Ausonius schreef heel wat gedichten in allerlei metra. Uit zijn
werken spreekt vooral de meesterlijke beheersing van de kunstige vorm, eerder dan een
diepzinnige of geïnspireerde inhoud. Ziehier een keuze:
- Ephemeris, "Dagboek": een poëtische beschrijving van het verloop van een dag in
zijn leven.
- Parentalia, "Dodenoffers": dertig grafschriften voor gestorven familieleden.
- Commemoratio professorum Burdigalensium: herdenkt zijn gestorven oud-leraars; een
gedicht dat in zijn genre eerder uitzonderlijk moet genoemd worden.
- Technopaignion, "Kunstig Spel": een aantal hexameters die allemaal eindigen op een
éénlettergrepig woord.
- Mosella, "De Moezel": dit werk, ongetwijfeld zijn beste, schildert de
bekoorlijkheid van het Moezeldal.
Verder maakte hij ook gedichten over alle mogelijke onderwerpen,
zoals: Twintig Beroemde Steden, De Zeven Wijzen, De Twaalf Caesars (een soort poëtische
commentaar op Suetonius), enz.
Hij was verzot op technische hoogstandjes: zo maakte hij o.m.
een zogenaamd rhopalisch gedicht. In zo’n gedicht (genaamd naar het Griekse woord rhopalon,
dat "knots" betekent), moest in elk vers het volgende woord steeds één lettergreep langer zijn
dan het vorige. Het gedicht van Ausonius was een gebed dat bestond uit 42 hexameters. Het
eerste vers luidt:
spes deus aeternae stationis conciliator,
vrij vertaald: "god, onze hoop op een eeuwig leven, gij die alles
verzoent"
En daarnaast heeft hij natuurlijk ook de Cento nuptialis geschreven.
DE CENTO NUPTIALIS
Het gedicht Cento nuptialis werd, zoals Ausonius in zijn
inleiding ter verontschuldiging inroept, door hem geschreven in opdracht van keizer
Valentinianus. Een cento is eigenlijk een lappendeken, vandaar: een gedicht dat is
samengesteld uit stukken van andere gedichten. Aangezien een eventuele vertaling "Lappendeken
voor een bruiloft" mij niet zo poëtisch in de oren klonk, heb ik gekozen voor de weliswaar
anachronistische, maar toch iets feestelijker klinkende Nederlandse titel "Bruiloftscocktail."
In zijn inleiding legt de schrijver niet alleen uit waarom het
gedicht ontstaan is: hij legt ook grondig uit waarover het precies gaat en vergelijkt het
schrijven van een cento met een Grieks gezelschapsspelletje, dat bestaat uit het
opbouwen van figuurtjes met behulp van stukjes been. Hijzelf heeft in dit gedicht enkel
(stukken van) verzen van Vergilius gebruikt, namelijk uit Bucolica, Georgica en
Aeneis.
Daarna begint het eigenlijk gedicht met een opdracht aan keizer
Valentinianus en zijn zoon Gratianus. Vervolgens wordt het bruiloftsmaal beschreven, de
verschijning van bruid en bruidegom, het geven van de geschenken, de liederen, de bruidsstoet,
de intrede in de slaapkamer, en, last but not least, de fysieke voltrekking van het huwelijk,
na een voorafgaande waarschuwing van Ausonius aan de lezer, hier in de persoon van zijn vriend
Paulus, aan wie het hele geschrift als brief gericht is.
Tot slot drukt hij zijn hoop uit dat diezelfde lezer toch niet
al te erg gechoqueerd zal zijn, en ter verdediging roept hij een heel legioen andere
schrijvers op, die hem in vranke scherts zijn voorgegaan.
DE CENTO ALS GENRE
In onze tijd zou het ondenkbaar zijn dat een schrijver een werk
samenstelt uit uittreksels van andere auteurs (ik denk hierbij even niet aan de talloze
moderne compilatoren van citatenboeken). Onze begrippen over plagiaat zijn dan ook totaal
anders dan die van de Oudheid. Bij de Ouden was imitatio immers een vorm van eerbetoon
aan de illustere voorganger. Maar in de klassieke tijd streefde een navolger er toch steeds
naar, zijn onderwerp anders te behandelen dan zijn voorganger, hem op één of andere manier te
overstijgen, te overtreffen. Vergilius heeft zich bij de structuur van zijn Aeneis
duidelijk laten inspireren door Homerus, Ovidius heeft even opvallend Vergilius nagevolgd in
zijn Orpheusverhaal, maar nergens kan men spreken van slaafse navolging.
In het geval van de cento gaat het om nog iets anders dan
imitatio, namelijk om het opzettelijk uit hun verband rukken van de woorden van iemand
anders om er een nieuw geheel mee te bouwen. Indien men als definitie voor "klassiek" neemt:
een harmonie tussen vorm en inhoud, dan hoort de cento wel helemaal niet in de
klassieke periode thuis. Hier hebben we immers het tegendeel: een schreeuwend contrast tussen
vorm en inhoud, tussen de deftige woorden van de grote epische dichter Vergilius en het
(deels) obscene verhaal van het huwelijk. Maar is dat contrast niet typisch voor een bepaalde
humor? Is het Griekse theater, ook de tragedie, niet ontstaan tijdens de feesten ter ere van
de "obscene" wijngod Dionysos? En kregen de Atheners niet dagelijks, na de drie "ernstige"
stukken, een saterspel te zien, waarin op soms scabreuze wijze de ernstige onderwerpen van de
dag geparodiëerd werden?
Niettemin stuit het procédé van de cento de moderne
kritische lezer een beetje tegen de borst. Het is als Constantijn die brokstukken van oudere
monumenten verzamelt, daar een "nieuwe" triomfboog in elkaar mee knutselt en er zijn eigen
naam op zet. De vierde eeuw is een eeuw van verval, een fin de siècle. Ongetwijfeld, maar
misschien ook een zwanezang, een herfsttij.
Het genre lijkt trouwens niet zo bekend te zijn, zelfs niet
tijdens de vierde eeuw, anders zou Ausonius niet de moeite nemen om zo grondig aan zijn
(ongetwijfeld ontwikkelde en literair geïnteresseerde) lezer uit te leggen wat een
cento precies is. De eminente literatuurhistoricus ROSE noemt slechts één andere naam
voor het genre, namelijk een zekere Hosidius Geta, maar hij vermeldt wel dat er nog enkele
andere schrijvers zijn die zich aan de cento gewaagd hebben.1
Tenslotte nog dit: elke vogel zingt zoals hij gebekt is, en
Ausonius is nu éénmaal meer poeta faber dan poeta vates.
En daarbij, eigenlijk was het allemaal maar een grapje!
Contentus esto, lector mi,
lasciva, lector, pagina:
ridere, nil ultra expeto.
1 H.J. ROSE, A Handbook of Latin Literature, Londen, Methuen
19666, p. 527.
|